behorend bij beleidsregel 33 Arbowet
LIJST VAN ERNSTIGE BEBOETBARE FEITEN
ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET 1998
Toelichting op inhoud en gebruik van de lijst
In de lijst van ernstige beboetbare feiten zijn werkzaamheden en situaties benoemd die direct ernstig gevaar (kunnen) opleveren voor personen.
Indien een dergelijke werkzaamheid of situatie wordt geconstateerd, dan zal in de meeste gevallen worden overgegaan tot stillegging van werk zoals bedoeld in artikel 28 van de Arbowet.
Volgens artikel 28 is een inspecteur van de Arbeidsinspectie bevoegd te bevelen dat:
- personen niet mogen blijven in door de inspecteur aangewezen plaatsen, of dat
- door de inspecteur aangewezen werkzaamheden worden gestaakt,
indien naar zijn of haar redelijk oordeel dat verblijf of die werkzaamheden ernstig gevaar opleveren voor personen. Een inspecteur zal dit bevel pas intrekken als dit gevaar is weggenomen.
De formuleringen in de lijst zijn over het algemeen in een directe actieve vorm gesteld, zoals: “het werken op ..., het gebruiken van ... en het blootstellen aan ....”.
Indien de feiten zoals geformuleerd ook daadwerkelijk door een inspecteur worden geconstateerd, dan is er sprake van “heterdaad”. Behalve het geven van een bevel tot stillegging, zegt de inspecteur direct een boete aan.
Treft de inspecteur situaties aan die naar zijn redelijk oordeel zouden kunnen leiden tot ernstige feiten zoals geformuleerd in de lijst, terwijl er op het moment van constateren niet wordt gewerkt, dan is deze bevoegd om op basis van artikel 28 Arbowet te bevelen dat werkzaamheden niet mogen worden aangevangen zolang het potentiële gevaar aanwezig is.
In dergelijke situaties wordt echter geen boete aangezegd.
Vooral de werkgever zal op het niet naleven van de ernstige beboetbare feiten worden aangesproken. Indien ook werknemers een ernstig beboetbaar feit ten laste kunnen worden gelegd, dan is dit in de lijst aangegeven. De Arbeidsinspectie zal hier overigens zeer terughoudend mee omgaan en indien aan de orde veelal in combinatie met ook een ten laste legging aan de werkgever.
In de lijst worden eenduidige en van de situatie afhankelijke ernstige beboetbare feiten onderscheiden.
Bij eenduidige feiten is altijd sprake van direct ernstig gevaar voor personen, indien een dergelijk feit in een werksituatie aan de orde is. Deze feiten kennen veelal een concrete normering.
In het geval van situatie afhankelijke feiten hoeft niet altijd direct ernstig gevaar te bestaan voor personen bij overtreding van het feit op zich. De ernst van het gevaar hangt af van de aard van het werk, het proces of het type arbeidsmiddel dat wordt gebruikt. Een inspecteur zal dit ter plekke moeten vaststellen.
Bijvoorbeeld het volgende beboetbare feit uit de lijst: “Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan”. Als onderhoud aan een draaiende machine gebeurt op een plek waar pertinent geen knel-, plet-, snij- of ander direct ernstig gevaar aan de orde is, dan is er geen sprake van een ernstig beboetbaar feit. Indien het onderhoud op een plek gebeurt waar de kans levensgroot aanwezig is dat handen subiet worden afgehakt, dan zal de inspecteur dit werk direct stilleggen en een boete aanzeggen.
Ter bevordering van het uniform handelen van inspecteurs, geeft de Arbeidsinspectie in inspectieprojecten zo mogelijk de omstandigheden aan wanneer in een betreffende (sub)bedrijfstak sprake kan zijn van dergelijke situatie afhankelijke feiten.
In de lijst worden de situatie afhankelijke feiten onderscheiden van de andere door een “!” vooraan in de kantlijn. Dit uitroepteken staat voor de zinsnede: “waarbij sprake is van direct ernstig gevaar voor personen”.
Lijst van ernstige beboetbare feiten
Het niet of onjuist gebruiken van ter beschikking gestelde noodzakelijke beveiligingen of persoonlijke beschermingsmiddelen door een werknemer, waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor de werknemer zelf of voor andere personen dan de werknemer.
(artikel 11, Arbowet)
N.B. werknemers kunnen voor dit feit een boete opgelegd krijgen.
Het werken in gebouwen, waarvan wanden, vloeren, plafonds of installaties in zodanige staat verkeren, dat direct gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen
(artikel 3.3, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op plaatsen, waar direct gevaar bestaat voor instorten, verschuiven, omvallen of kantelen van opgeslagen voorwerpen en stoffen.
(artikel 3.3, lid 2, Arbobesluit)
Het aanwezig zijn van niet afgeschermde spanningvoerende delen:
- met een spanning van hoger dan 25 volt bij wisselspanning of 60 volt bij zuivere gelijkspanning, die direct aan te raken zijn
- in te betreden vochtige ruimten of “nauwe geleidende ruimten”.
(artikel 3.4, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van werkzaamheden aan of in de nabijheid van onder spanning staande elektrische installaties, toestellen of leidingen met een spanning van hoger dan 25 volt bij wisselspanning of 60 volt bij zuivere gelijkspanning zonder het treffen van de nodige veiligheidsmaatregelen.
(artikel 3.5, lid 4, Arbobesluit)
Het werken op arbeidsplaatsen waar een tweede vluchtweg ontbreekt, en waarbij direct ernstig gevaar bestaat op brand, explosie en plotselinge blootstelling aan gevaarlijke stoffen.
(artikel 3.6, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter waarbij geen voorzieningen zijn getroffen tegen vallen.
(artikel 3.16, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op hoogten van meer dan 2.50 waarbij geen voorzieningen zijn getroffen tegen de gevolgen van vallen.
(artikel 3.16, lid 3, Arbobesluit)
Het toepassen van een laadplatform dat niet is afgestemd op de te vervoeren lading.
(artikel 3.18, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op hoogten van meer dan 2.50 meter op instabiele en onvoldoende stevige werkplekken op bouwplaatsen.
(artikel 3.28, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op een bouwplaats indien bovengrondse elektriciteitsleidingen niet omgeleid zijn of spanningsloos zijn gemaakt of, indien dit niet mogelijk is, hekken of waarschuwingsborden ontbreken.
(artikel 3.29, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op bouwplaatsen waarbij direct gevaar bestaat voor personen als gevolg van beschadiging van ondergrondse elektriciteitsleidingen en -kabels.
(artikel 3.29, lid 5, Arbobesluit)
Het werken in bouwputten, tunnels, uitgravingen of in geval van andere ondergrondse werkzaamheden, waarbij onvoldoende stut- of taludvoorzieningen zijn getroffen tegen instortings- of overstromingsgevaar.
(artikel 3.30, lid 1, Arbobesluit)
Het bij grondverzetwerkzaamheden niet op veilige afstand houden van de uitgegraven aarde, gebruikte materialen en voertuigen, waardoor werknemers direct gevaar lopen bedolven te worden.
(artikel 3.30, lid 2, Arbobesluit)
Onvoldoende draagkrachtige bekistingen, tijdelijke stutten of schoren op een bouwwerkplek, waardoor werknemers direct gevaar lopen bekneld te raken of bedolven te worden.
(artikel 3.31, lid 2, Arbobesluit)
Het zonder beschermingsmaatregelen betreden van of werken in zones in de winningsindustrie in dagbouw waar gevaar bestaat voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie.
(artikel 3.34, lid 1, Arbobesluit)
Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.4, lid 1 Arbobesluit)
Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken met gevaarlijke stoffen waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.4, lid 2 Arbobesluit)
Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij het werken aan reservoirs, installaties, verpakkingen e.d. met gevaarlijke stoffen waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen bestaat.
(artikel 4.4, lid 3, Arbobesluit)
Het schoonmaken, onderhouden, verbouwen, herstellen en slopen van K1-, K3-, KT- of T-schepen, zonder veiligheids- en gezondheidsverklaring van een gasdeskundige.
(artikel 4.7, lid 3, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht boven de ceilingwaarde en bij het ontbreken daarvan aan meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.9, lid 1, Arbobesluit)
Het werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9-1 onder 2, 3 en 4, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.
(artikel 4.9, lid 1, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van kankerverwekkende stoffen in de inademingslucht boven de wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.16, lid 2, Arbobesluit)
Het ontbreken van maatregelen of voorzieningen bij aanwezigheid van kankerverwekkende stoffen waarbij direct ernstig gevaar bestaat voor plotselinge blootstelling aan schadelijke hoeveelheden.
(artikel 4.19 Arbobesluit)Het blootstellen van werknemers aan concentraties van vinylchloridemonomeer in de inademingslucht boven de wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.30, lid 3, Arbobesluit)
Het verzamelen en afvoeren van asbesthoudende afvalstoffen zonder dat daarbij gebruik gemaakt wordt van voor asbest geschikte, niet-luchtdoorlatende en gekenmerkte verpakking.
(artikel 4.45. lid 2, Arbobesluit)
Het gebruik van elektrisch of pneumatisch aangedreven verspanende werktuigen met een toerental > 100 wentelingen per minuut of een lineaire zaagsnelheid > 25 meter per minuut bij het bewerken (slopen, reparatie en onderhoud) van asbesthoudende producten.
(artikel 4.45, lid 2, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van asbest in de inademingslucht boven de wettelijke grenswaarde.
(artikel, 4.46, lid 2, Arbobesluit)
Het verzamelen en afvoeren van crocidoliethoudende afvalstoffen zonder dat daarbij gebruik gemaakt wordt van geschikte, niet-luchtdoorlatende en gekenmerkte verpakking.
(artikel 4.56, lid 3 Arbobesluit)
Het ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, buiten de voor dat doel bestemde gesloten toestellen of ruimten.
(artikel 4.61, lid 3 Arbobesluit)
Het bij ontzanden van gietstukken, door middel van stralen, afvoeren van afgezogen lucht naar ruimtes waar personen moeten verblijven.
(artikel 4.61, lid 5, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan concentraties van lood (metallisch lood en zijn ionverbindingen) in de ademlucht aan meer dan twee maal de wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.68, lid 2, Arbobesluit)
Het blootstellen van werknemers aan biologische agentia waarbij direct ernstig gevaar bestaat voor schade aan de gezondheid.
(artikel 4.87, lid 1, Arbobesluit)
Het blootstellen van thuiswerkers aan concentraties van stoffen in de inademingslucht boven de ceilingwaarde en bij het ontbreken daarvan aan meer dan twee maal de bestuurlijke MAC-waarde of wettelijke grenswaarde.
(artikel 4.113, Arbobesluit)
Het door thuiswerkers werken met stoffen als bedoeld in beleidsregel 4.9-1 onder 2, 3 en 4, waarbij direct contact met huid en ogen mogelijk is en kan leiden tot ernstige schade aan de gezondheid.
(artikel 4.113, Arbobesluit)
! |
Onvoldoende of onjuiste maatregelen of voorzieningen bij thuiswerk met gevaarlijke stoffen waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor brand of explosie of gezondheidsbedreigende blootstelling aan gevaarlijke stoffen, dampen en gassen.
(artikel 4.115, lid 2, Arbobesluit)
Het verrichten van werkzaamheden zonder gehoorbescherming in situaties waarbij een geluidsniveau optreedt van meer dan:
- 90 dB(A) over een achturige werkdag;
- 130 dB(A) (piekwaarde).
(artikel 6.8, lid 9, Arbobesluit)
(artikel 6.23, lid 8, Arbobesluit: voorschrift voor zeeschepen en luchtvaartuigen)
N.B. werknemers kunnen voor dit feit een boete opgelegd krijgen.
Het verrichten van duikwerkzaamheden op een diepte van 15 meter (of bij een druk van 1,5 maal 105 Pascal) of meer waarbij geen geschikte compressiekamer aanwezig is.
(artikel 6.18, lid 1, Arbobesluit)
Het door één persoon verrichten van caissonarbeid.
(artikel 6.19, lid 1, Arbobesluit)
Het verrichten van caissonwerkzaamheden onder een druk van meer dan 1,5 maal 105 Pascal zonder een geschikte compressiekamer.
(artikel 6.20, lid 1, Arbobesluit)
Het gebruiken van arbeidsmiddelen op een andere wijze of plaats dan waarvoor zij zijn ingericht en bestemd.
(artikel 7.3, lid 2, Arbobesluit)
Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel waardoor direct ernstig gevaar bestaat voor verschuiven, omvallen, kantelen, oververhitting, brand, ontploffen of aanraking met elektriciteit.
(artikel 7.4, lid 3, Arbobesluit)
Het zodanig geplaatst of ingericht zijn van een arbeidsmiddel waardoor direct ernstig gevaar bestaat getroffen te worden door ongewild in beweging komende of vrijkomende voorwerpen, producten, vloeistoffen of gassen.
(artikel 7.4, lid 4, Arbobesluit)
Het onderhouden, repareren en reinigen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.
(artikel 7.5, lid 2, Arbobesluit)
Het afstellen van arbeidsmiddelen die ingeschakeld zijn en onder druk of elektrische spanning staan.
(artikel 7.5, lid 3, Arbobesluit)
Het op niet veilige wijze (de)monteren van arbeidsmiddelen.
(artikel 7.5, lid 5, Arbobesluit)
Het ontbreken of onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen en afschermingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen van arbeidsmiddelen.
(artikel 7.7, lid 1, Arbobesluit)
Het kunnen aanraken van (onderdelen van) arbeidsmiddelen met een zeer hoge of lage temperatuur.
(artikel 7.9, Arbobesluit)
Het loskoppelen en opnieuw aansluiten van een arbeidsmiddel van en op een krachtbron.
(artikel 7.11, lid 2, Arbobesluit)
Het ontbreken van een noodstopvoorziening op arbeidsmiddelen waarbij dit noodzakelijk is.
(artikel 7.16, Arbobesluit)
Het vervoeren van personen met een mobiel arbeidsmiddel dat daartoe niet is uitgerust.
(artikel 7.17a, lid 1 Arbobesluit)
Het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen (m.u.v. heftrucks) waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.
(artikel 7.17a, lid 2, Arbobesluit)
Het gebruik van heftrucks waarmee personen kunnen worden vervoerd zonder beschermingsconstructies ter voorkoming van kantelen of de gevolgen daarvan.
(artikel 7.17a, lid 5, Arbobesluit)
Het ontbreken van een rem- en stopvoorziening, alsmede een noodstopvoorziening voorzover deze noodzakelijk is, op een mobiel arbeidsmiddel met eigen aandrijving.
(artikel 7.17b, lid 2, Arbobesluit)
Het meerijden op mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving zonder speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen.
(artikel 7.17c, lid 2, Arbobesluit)
Het zwaarder belasten van een hijs- of hefwerktuig, dan de toegelaten bedrijfslast of dan een veilig gebruik toelaat.
(artikel 7.18, lid 2, Arbobesluit)
Het zodanig opgesteld zijn van hijs- en hefwerktuigen, waardoor direct ernstig gevaar bestaat dat lasten werknemers kunnen raken.
(artikel 7.18, lid 5, Arbobesluit)
Het zich bevinden van werknemers onder hangende lasten.
(artikel 7.18, lid 6, Arbobesluit)
Het zodanig gebruik van een mobiel hijs- of hefwerktuig dat direct ernstig gevaar bestaat voor kantelen, ongewild in beweging komen of wegglijden.
(artikel 7.18a, lid 3, Arbobesluit)
Het gebruik van hijs- en hefwerktuigen in slechte weersomstandigheden.
(artikel 7.18a, lid 13, Arbobesluit)
Het hijsen of heffen van personen op een onbeveiligd platform.
(artikel 7.18b, lid 1, Arbobesluit)
Het overbelasten van laad- en losgerei met meer dan 10%.
(artikel 7.20, lid 4, Arbobesluit)
Het ontbreken van technische of organisatorische maatregelen, indien zich in een schacht twee of meer liften bevinden, om te voorkomen dat personen bij werkzaamheden aan een van de liften, getroffen worden door een naastliggende lift.
(artikel 7.21, lid 1, Arbobesluit)
Het niet stilzetten van de naastgelegen lift tijdens werkzaamheden in een liftschacht waarbij gevaren veroorzaakt door deze lift niet zijn tegengegaan.
(artikel 7.21, lid 2, Arbobesluit)
Het vervoeren van personen met een hijs- of hefwerktuig, dat daarvoor niet is bestemd of ingericht.
(artikel 7.22, lid 1, Arbobesluit)
Het vervoer van personen in een werkbak waarbij sprake is van:
- een onveilige of ondeugdelijke werkbak of
- een daartoe onvoldoende toegerust hijs- of hefwerktuig of
- de bedieningsplaats van het hijs- en hefwerktuig niet permanent bemand is.
(artikel 7.22, lid 3, Arbobesluit)
Het hijsen of heffen van luiken van schepen zonder dat deze daartoe geschikte bevestigingen hebben voor het vastmaken van hijsgereedschap.
(artikel 7.25, lid 1, Arbobesluit)
Het plaatsen of verwijderen van luiken op schepen terwijl in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt.
(artikel 7.25, lid 6, Arbobesluit)
Het laden en lossen van schepen zonder dat luiken die niet afdoende tegen verplaatsing kunnen worden geborgd, verwijderd zijn.
(artikel 7.25, lid 7, Arbobesluit)
Het opnieuw gebruiken van voor eenmalig gebruik bestemde bind- of hijsmiddelen.
(artikel 7.27, lid 2, Arbobesluit)
Het niet aanwezig zijn van middelen zodat werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van sjorringen van containers aan direct ernstig gevaar worden blootgesteld.
(artikel 7.28, Arbobesluit)
Het gebruik van ladders en trappen die onvoldoende sterk en stijf zijn.
(artikel 7.33, lid 1, Arbobesluit)
Het werken op onstabiel opgestelde ladders en trappen of waarbij een stevige steun voor handen en voeten ontbreekt.
(artikel 7.33, lid 2, Arbobesluit)
Het werken op een overbelaste steiger.
(artikel 7.34, lid 3, Arbobesluit)
Het werken op verrijdbare steigers die niet zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsing.
(artikel 7.34, lid 4, Arbobesluit)
Het verrichten van trekkerarbeid, het werken met wilde / giftige dieren die gevaren opleveren, het industrieel slachten of werken onder tempodwang door jeugdige werknemers zonder toezicht.
(artikel 7.39, Arbobesluit)
Het ontbreken of het onjuist toepassen van voorgeschreven beveiligingen, alsmede het overbruggen dan wel buiten werking stellen van noodzakelijke beveiligingen aan arbeidsmiddelen in thuiswerksituaties.
(artikel 7.41, lid 1, Arbobesluit)